Gezondheidsinformatie en angst

De grote hoeveelheid gezondheidsinformatie die beschikbaar is in de massamedia kan een impact hebben op onder andere kennis, percepties, gedrag en angstniveaus. Een studie in België toonde bijvoorbeeld aan dat mensen die vaker medische fictiereeksen bekeken, hun overlevingskansen na cardiopulmonaire resuscitatie (CPR) overschatten (23). De relatie tussen massamedia en angst voor kanker kreeg echter nog niet veel aandacht in de huidige literatuur. Nochtans toonde een inhoudsanalyse over hethumaan papillomavirus (HPV) in nieuwsmagazines al aan dat er vaak angstopwekkende boodschappen gebruikt worden (24). Een andere studie die ook werd uitgevoerd in Vlaanderen toonde een positieve associatie aan tussen blootstelling aan televisienieuws en angst voor kanker (25).

In het algemeen kan er worden besloten dat in de huidige wetenschappelijke literatuur nog niet vaak werd gekeken naar wat voorspellers van angst voor kanker zijn, en naar wat de rol van de massamedia hierin kan zijn.Tegelijk werd het bewust vermijden van kankerinformatie in voorgaand onderzoek al meerdere keren gelinkt aan gevoelens van angst (22). Kankerinformatie zoeken en scannen daarentegen werden nog niet in verband gebracht met angst voor kanker.

Onderzoek in Vlaanderen

Veel vragen omtrent het gebruik van kankerinformatie in de massamedia blijven nog onbeantwoord. Om een duidelijke beeld te scheppen hierover werd van Mei 2012 tot Januari 2013 de Leuven Kanker Informatie Survey afgenomen bij 2008 personen. Dit onderzoek werd uitgevoerd door de Leuvense School voor Massacommunicatieresearch, en werd gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), in kader van het Kom op Tegen Kanker onderzoek.

Het voornaamste doel van deze studie was om op zoek te gaan naar hoe personen (met en zonder een kankerdiagnose) omgaan met kankerinformatie, en of dit geassocieerd was met onder meerhun kennis over kanker, hun levensstijl, hun angstniveaus. Een belangrijke insteek van het onderzoek was om potentiële verschillen tussen personen met een kankerdiagnose en personen zonder een diagnose te identificeren. Daarom werd deze vragenlijst bij twee groepen afgenomen. Mensen met een kankerdiagnose (n= 621) werden gezocht via Vlaamse zelfhulpgroepen, online kankerfora en werden ten slotte persoonlijk benaderd in de oncologie-consultaties van het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg.Daarnaast werd een willekeurige steekproef van mensen zonder kankerdiagnose (n=1387) online verzameld via volwassenonderwijs- en avondonderwijsinstellingen.

In dit onderzoek werden onder andere voorspellers van angst voor kanker, alsook de relatie tussen angst voor kanker en kankerinformatiezoekprofielen onderzocht (Tabel 1). Om angst voor kanker te meten werd de “Breast Cancer Fear Questionnaire” (26) gebruikt en aangepast naar kanker in het algemeen. Twintig procent van de respondenten scoorden “laag” op angst voor kanker, 34% “gemiddeld” en 46% “hoog”. Personen met een kankerdiagnose scoorden gemiddeld iets hoger op deze schaal dan de personen zonder kankerdiagnose, maar dit verschil was heel klein. Ook personen met directe familieleden met een kankerdiagnose scoorden iets hoger. De resultaten werden berekend met het statistische software programma Statistical Package for the Social Sciences (SPSS) via lineaire regressieanalysesen onafhankelijke samples T-testen.

Resultaten:Voorspellers van angst voor kanker

Uit de analyses, gepubliceerd in de Journal of Cancer Education (27), bleek dat het totale volume van wekelijks televisiekijken een directe en positieve voorspeller was van angst voor kanker. Hoe meer men dus naar televisie keek, hoe hoger men scoorde op angst voor kanker. Zelfs na controle voor verschillende andere variabelen bleef televisievolume een significante voorspeller van angst voor kanker (ß= 0.15, p< 0.001). De tijddie men wekelijks spendeerde op internet bleek daarentegen geen significante voorspeller te zijn van angst voor kanker. Verder bleek uit de analyses wel dat vrouwen meer angst hadden voor kanker (ß= 0.09, p< 0.001), alsook mensen die hun eigen gezondheid negatiever inschatten (ß= -0.15, p< 0.001). Ook de mate waarin iemand kankerals ernstiger percipieerde (ß= 0.12, p< 0.001) en zijn of haar eigen risicoperceptie (ß= 0.11, p< 0.001) speelden een voorspellende rol. Deze analyses waren niet verschillend voor personen met een kankerdiagnose en personen zonder een diagnose, daarom werden deze analyses uitgevoerd op de totale steekproef. Meer naar televisiekijken hangt dus samen met meer angst voor kanker, ongeacht of iemand directe ervaring met kanker heeft of niet.

Resultaten:De relatie tussen angst voor kanker en kankerinformatie zoekprofielen

Angst voor kanker bleek ook gerelateerd met verschillende informatie zoekprofielen. . De frequentie van kankerinformatie zoeken en scannen werd bevraagd voor verschillende gemedieerde (kranten, magazines, televisie, internet) en interpersoonlijke (dokter, vrienden en familie) bronnen. Uit de beschrijvende analyses bleek dat informatie scannen vaker voorkwam dan informatie zoeken. De populairste bronnen om actief kankerinformatie te zoeken in de totale steekproef waren “informatieve televisie”, “informatieve websites” en “wetenschappelijke websites” (Figuur 1). De populairste bronnen om kankerinformatie te scannen in de totale steekproef waren “dokter”, “vrienden en familie”, en “informatieve televisie” (Figuur 2). Als meest betrouwbare bronnen voor kankerinformatie werden de “dokter”, “wetenschappelijke websites” en “informatieve websites” en “informatieve televisie” aangeduid.Bewust kankerinformatie vermijden was ook iets wat 60% van de respondenten van deze steekproef minstens “zelden” deed (Figuur 3). Bovendien bleken er significante verschillen te zijn in de twee groepen in die zin dat personen met een kankerdiagnose vaker actief op zoek gingen naar kankerinformatie, terwijl personen zonder diagnose vaker kankerinformatie scanden. Informatie vermijden was niet significant verschillend in deze twee groepen.

Daarnaast werd angst voor kanker onderzocht als voorspeller van kankerinformatie zoeken, scannen en vermijden. Uit deze analyses, aanvaard voor publicatie in Health Information and Libraries Journal (28), bleek dat angst voor kanker een significante voorspeller was voor zowel actief kankerinformatie zoeken (ß= 0.26, p< 0.001), scannen (ß= 0.11, p< 0.001) en vermijden (ß= 0.25, p< 0.001). Verder bleken vrouwen (ß= 0.09, p< 0.001) en oudere respondenten (ß= 0.12, p< 0.001) meer informatie te zoeken. Ook personen die ooit een kankerdiagnose kregen (ß= 0.19, p< 0.001) en personen met kanker in de directe familie (ß= 0.07, p< 0.01) zochten meer kankerinformatie actief op. Vrouwen (ß= 0.15, p< 0.001) en jongere respondenten (ß= -0.17, p< 0.001)daarentegen scanden meer kankerinformatie. Respondenten die hun gezondheid slechter inschatten (ß= -0.05, p< 0.05) gingen vaker kankerinformatie vermijden, terwijl personen die ooit een kankerdiagnose kregen (ß= -0.10, p< 0.01) dit net minder vaak deden.Hoewel het hebben van een kankerdiagnose positief geassocieerd was met kankerinformatie opzoeken, en negatief geassocieerd was met kankerinformatie vermijden, bleken de relaties tussen angst en kankerinformatiezoekprofielen niet verschillend. Daarom werden de analyses op de totale groep uitgevoerd. Angst voor kanker voorspelt kankerinformatie zoeken, scannen en vermijden, en dit gebeurt op dezelfde manier voor personen met of zonder kankerdiagnose.

Limitaties, implicaties en suggesties naar de toekomst toe

Deze resultaten toonden verschillende interessante relaties aan. Omdat het onderzoek cross-sectioneel was, kunnen we op basis van deze resultaten geen uitspraken doen over causaliteit. De onderzochte relaties tussen angst en informatiezoekprofielen zijn mogelijks ook wederkerig. Zo kan angst voor kanker zorgen voor meer informatiezoekgedrag, wat op zijn beurt ook weer kan leiden tot meer angst. Daarnaast moet er ook worden opgemerkt dat de gebruikte steekproef ook niet noodzakelijk representatief is voor de algemene bevolking of voor de bevolking die leeft met een kankerdiagnose. Bovendien moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat mensen die aan deze vragenlijst deelnamen, gezondheidsbewuster zijn. De vragenlijst was gebaseerd op zelfrapportering. Hoewel dit een veel gebruikte techniek binnen de Sociale Wetenschappen is, kan dit mogelijks leiden tot zelfrapportering- en herinneringsbias. Toch kunnen we enkele conclusies trekken op basis van deze resultaten en suggesties doen naar de toekomst toe.

Een eerste conclusie is dat er geen verschillen gevonden werden in de relaties tussen de verschillende variabelen voor de twee groepen: mensen met en zonder kankerdiagnose. Dit voelt wat contra-intuïtief aan omwille van de verschillen in persoonlijke ervaring met kanker. Enkele beschrijvende verschillen werden wel gevonden tussen de twee groepen (zoals volume televisiekijken, actief kankerinformatie zoeken, scannen). Opmerkelijk is ook het hoge percentage van personen met angst voor kanker in beide groepen. Personen met een kankerdiagnose scoorden hier iets hoger op, maar toch blijft het opvallend hoeveel personen zonder directe en indirecte ervaring angst hebben voor kanker. Het feit dat er weinig verschil is in de gevonden relaties tussen mensen met en mensen zonder een kankerdiagnose wordt daarom wellicht verklaard door het feit dat alle mensen in de steekproef veeleer bang waren voor kanker. Maatschappelijk gesproken, lijken we aan een plafond te zitten, zodat een kankerdiagnose niet eens tot een grote toename van angst voor de ziekte kan leiden.

Een tweede conclusie, die ook overeenkomt met de resultaten van de enkele studies die werden uitgevoerd in het verleden, is dat blootstelling aan televisie positief samenhangt met angst voor kanker. Verrassend genoeg was het volume van internetgebruik geen directe voorspeller van angst voor kanker. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mensen het internet actiever gebruiken om kankerinformatie op te zoeken, en mogelijks meer op zoek gaan naar informatie die consistent is met wat ze al wisten. Deze resultaten impliceren dat televisie een belangrijk medium blijft voor gezondheidsinformatie. Onder meer artsen, oncologen en preventiewerkers moeten op de hoogte zijn over de potentiële impact die mediagebruik kan hebben op angstniveaus. Media kunnen een belangrijk middel zijn voor zelfeducatie door patiënten en hun familie. Verder kunnen media ook positief bijdragen in de gezondheidssector, kijk bijvoorbeeld naar de positieve effecten die online lotgenotengroepen kunnen hebben (29). Verder kunnen er ook verschillende opportuniteiten gezien worden in het gebruik van media. “Entertainmenteducation” bijvoorbeeld is een techniek van gezondheidscommunicatie waarbijtelevisiefictie ingezet kan worden om de bevolking bij te leren over gezondheidsthema’s. Dergelijke programma’s toonden al veelbelovende resultaten aan in voorgaand onderzoek (30). Ook voor online informatie zijn er tegenwoordig goede initiatieven zoals www.gezondheidenwetenschap.be. Dit is een website die begrijpbare informatie bevat, alsook extra duiding geeft aan berichten over gezondheid die in de media aan bod komen.

Een derde conclusie, die ook implicaties bevat voor dokters en gezondheidscampagne-ontwikkelaars is dat angst voor kanker een voorspeller is voor zowel actief informatie zoeken, scannen als voor vermijden. Dit impliceert dat angst verschillend werkt bij verschillende personen. Directe of indirecte ervaring met kanker hebben beïnvloedde deze verschillenniet in deze studie. Dit bevestigt de complexiteit van het begrip angst en duidt aan dat “fearappeals” gebruiken in preventiecampagnes net een averechts effect kan hebben bij sommige individuen. Hierbij kan nog de opmerking gemaakt worden dat er voor depsychologische coping stijlen (20) die gelinkt worden aan kankerinformatiezoekgedrag en vermijdgedrag, niet werd gecontroleerd in deze analyses. Dit kan mogelijks zorgen voor eenbedreiging van de interne validiteit van de resultaten, en is iets wat in toekomstig onderzoek nog moet onderzocht worden.

De literatuur toonde aan dat kankerinformatie zoeken, scannen en vermijden gerelateerd zijn aan kennis, levensstijl en screening. Aangezien preventie de hoge kankerprevalentie kan doen verminderen, zijn dit gedragingen die verder bestudeerd moeten worden. Ook de rol die de massamedia kunnen spelen als buffer tussen artsen en patiënten moet verder worden onderzocht.

Subscribe to receive free email updates:

0 Response to "Gezondheidsinformatie en angst "

Post a Comment